Vaak denk ik, terwijl de zon langzaam ondergaat en ik in bed lig, terug aan de dag. Terwijl het huis stil is, flitsen er als een soort korte film verschillende beelden voorbij in mijn hoofd. Beelden van hoe we de dag begonnen, wat er allemaal gebeurde, wat we deden. En ook al wil ik het niet, mijn gedachten glijden dan meestal vrij snel af naar de dingen die ik niet goed deed voor mijn kinderen. Naar de momenten waarop ik misschien boos werd of niet duidelijk genoeg was. Ik te weinig met ze samen speelde of er juist te veel bovenop zat. Het lijkt bijna automatisch te gaan, dat zoeken naar bewijs dat ik het beter had kunnen doen.
Dat is eigenlijk ook niet zo gek. Het ouderschap is een enorme verantwoordelijkheid. Vanaf het moment dat je baby geboren wordt, ben je verantwoordelijk voor een klein mens dat biologisch gezien volledig afhankelijk is van jou om te overleven. En daar komt nog iets bij. We weten steeds meer over de ontwikkeling van kinderen. Over hechting, slaap, voeding, prikkelverwerking, grenzen en de invloed van de vroege jaren. Kennis die bedoeld is om ons te helpen, maar ook een nieuwe vraag (én druk) kan oproepen: doe ik het wel goed genoeg? Daar komt nog bovenop dat we de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van onze kinderen tegenwoordig met z’n tweeën (of zelfs alleen) dragen, terwijl we dit duizenden jaren geleden met veel meer volwassenen deelden, maar dat is een ander verhaal.
Ik weet nog precies hoe het voelde toen mijn zoon werd geboren en op mijn borst werd gelegd. Ik werd ineens overvallen door het besef van die enorme verantwoordelijkheid. Het was als een soort klap in mijn gezicht, een wake-up-call, een oergevoel. Het was zo’n puur en bewust moment waarin ik voelde: alles wat ik vanaf nu doe, heeft impact op mijn kind. Op hoe hij zich voelt, hoe hij zich gedraagt, op zijn toekomst. Het was een heel krachtig gevoel, want het motiveerde mij om het allerbeste voor hem te doen. Maar tegelijkertijd werkte het verlammend. Want als alles wat ik doe invloed heeft, kan ik het dus ook verkeerd doen. Wat betekent het om het goed te doen voor mijn kind? En wat als ik dingen doe waar hij later nog last van heeft?
In haar boek De Kleine Filosoof, schrijft Alison Gopnik dat dit de meest gestelde vraag is door ouders en dat je op verschillende manieren kunt denken over de invloed van de kindertijd op het latere leven. Vroege ervaringen doen ertoe. Maar ze bepalen niet in hun eentje wie een kind uiteindelijk wordt. Kinderen hebben zelf invloed op hun omgeving en hun ontwikkeling gaat een heel leven door. Ook latere ervaringen kunnen de invloed van eerdere ervaringen veranderen. Kortom: De kindertijd is heel belangrijk, maar niet allesbepalend. Een mensenleven bestaat uit veel meer dan wat er in de eerste jaren gebeurt. Een geruststellende gedachte, vind ik zelf.
Want gelukkig betekent één keer boos worden niet dat je daarmee de toekomst van je kind bepaald. Een dag waarop het ritme anders loopt, maakt je kind niet ineens onveilig. Een enkel moment staat nooit op zichzelf. Het gaat om de momenten die zich dagelijks herhalen. We worden gevormd door patronen van ervaringen over tijd. En dat is dus meer dan de ervaringen die we opdoen als kind.
Opvoeden gaat helemaal niet over wat er op een dag mis is gegaan of wat je anders had willen doen, maar veel meer over wat je kind over het algemeen bij jou ervaart. Welke sfeer is er meestal? Welke dagelijkse gewoontes zijn er in jullie gezin? Hoe gaan jullie meestal met elkaar om? En dat ‘meestal’ is belangrijk. Meestal betekent niet altijd. Het betekent niet dat je honderd procent van de tijd rustig hoeft te zijn. Dat je niet iedere maaltijd perfect hoeft te koken. Dat je niet iedere dag precies het juiste ritme hoeft te volgen. Het gaat om wat in het geheel de overhand heeft. Om de patronen die zich zo vaak herhalen dat ze de toon van het dagelijks leven bepalen. Over wat je 51% van de tijd doet. Dat is heel wat anders dan constant de perfecte ouder moeten zijn.
En er zijn vaak veel meer fijne momenten dan minder fijne momenten. Veel meer ontspannen momenten, dan gestresste momenten. Veel momenten van verbinding, dan momenten van afwezigheid. En toch vind ik het gemakkelijker om te blijven hangen in wat er misging. Alsof het ouderschap iets is wat voortdurend geoptimaliseerd moet worden. Terwijl er op één dag zoveel meer gebeurt. Op de dag dat ik boos werd, troostte ik ook mijn dochter toen ze van haar fiets viel. Op de dag dat ik vond dat ik te weinig met mijn kinderen had gespeeld, zaten we ook samen aan tafel, aten we en praatten we over van alles en nog wat. Op de dag dat ik er voor mijn gevoel te veel bovenop zat, was ik er ook toen ze mij nodig hadden.
Misschien hoef ik mijn dagen daarom niet meer af te sluiten met de vraag wat ik beter had kunnen doen. Misschien mag ik mezelf ook leren vragen: wat wil ik onthouden van vandaag? Niet omdat de lastige momenten er niet toe doen. Natuurlijk doen ze dat. Ik wil blijven kijken naar mijn gedrag als ouder en hiervan leren. Maar leren hoeft geen bewijs te worden dat ik een slechte moeder ben. Misschien is het wel juist dat ik mijzelf steeds opnieuw eraan mag herinneren dat mijn kinderen geen moeder hebben die alles goed doet. Maar een moeder die verder kijkt dan het moment waarop het misging. Die ook ziet wat er wél was. Die begrijpt dat één moment nooit het hele verhaal vertelt. En die bewust in slaap valt met het beeld van een fijn en gelukkig moment met haar kinderen. Hoe klein dat moment ook is.
